Van Swieten sciety

Een geniaal visitekaartje

In 1785 had Mozart met zijn eerste pianokwartet in G mineur een enorme rage ontketend in de muzikale salons in Europa. Het lijdt geen twijfel dat dit kwartet Beethoven inspireerde om zelf ook kwartetten voor de ongebruikelijke bezetting van pianotrio plus altviool te schrijven.

Ludwig van Beethoven (1770-1827) had vanaf 1779 compositie les bij Neefe, organist aan het hof van Keurvorst Maximilaan in Bonn. Vanaf 1781 was hij Neefe’s assistent als organist en in 1783 ontstonden de eerste drie pianosonatas. Ze worden de ‘Kurfürsten Sonates’ genoemd omdat ze zijn opgedragen aan de Keurvorst Maximilaan, die een prachtige editie verzorgde.

Zoals elke musicus in Europa kende Beethoven Mozarts werken goed en was hij een groot bewonderaar. Hij speelde Mozarts pianoconcerten met het hoforkest in Bonn, later was hij altviolist in uitvoeringen van Mozarts opera’s. De musicoloog Lewis Lockwood zegt het zo: ‘net zoals Mozart ooit aan zijn vader schreef dat hij ‘ondergedompeld was in muziek’, zo was Beethoven ‘ondergedompeld in Mozart’.

In het voorjaar van 1787 reisde Beethoven op kosten van de Keurvorst, die zijn talent ondersteunde, naar Wenen om les te krijgen van Mozart. We mogen aannemen dat hij deze ongepubliceerde kwartetten in zijn ransel had. Of de les ooit doorging is niet zeker; Mozart was in ieder geval een deel van het voorjaar in Praag. Toch lijkt het waarschijnlijk dat Beethoven voor zijn idool heeft gespeeld en dat Mozart over hem heeft tegen vrienden gezegd: ‘let op deze jongeman, hij zal zijn naam vestigen in de wereld’.

Waarom publiceerde Beethoven de kwartetten niet toen hij in 1791 in Wenen kwam en er een enorme vraag naar zijn werk ontstond? Allereerst moest zijn eerste publicatie een set pianotrio’s zijn. Pianotrio’s waren het genre van de adel; publicatie werd mogelijk gemaakt door dat ze erop intekenden en zodoende vooruit betaalden.

Daarnaast komen in de kwartetten citaten voor van onder andere Mozart. Voor het kwartet in C leende Beethoven bijvoorbeeld thema’s uit Mozarts Vioolsonate KV296, ook in C. Dat hij de kwartetten zelf in zijn jonge Weense jaren nog steeds waardeerde blijkt wel uit het feit dat hij kwartetmateriaal hergebruikte voor zijn eigen pianosonates opus 2. Een opvallend voorbeeld is het thema van het langzame deel van het eerste kwartet in C, dat in bijna ongewijzigde vorm terugkeert als thema van het middendeel van de eerste in Wenen gepubliceerde Piano Sonate in F, opus 2 nr. 1.

In Beethovens tijd was een ‘Opus’ een samenhangend kunstwerk. In Haydns Tost Strijkkwartetten (opus 64) uit 1790 staat het eerste kwartet in de pure, doorzichtige toonsoort C en het laatste in de symfonische toonsoort D. De zes kwartetten ontwikkelen zich bijna psychologisch en zijn dan ook bedoeld om als opus gehoord te worden. Dezelfde opbouw in toonsoort en karakter vinden we ook in Mozarts eerste groep gepubliceerde pianosonates K. 279-284 uit 1775. Behalve de opbouw in toonsoorten (C-F-Bb-Eb-G-D) en de steeds toenemende technische eisen is het een staalkaart van compositorisch kunnen, zowel in klaviertechniek als muzikale karakters.

Ook Beethoven’s pianokwartetten, elk driedelig, vormen samen een driedelig opus. In het originele manuscript is de volgorde geheel volgens traditie C – Es – D. De open, pure toonsoort C is, net als bij Mozart en Haydn, de logische opening van zo’n groots opus. Het is een licht en brilliant werk met een luchthartig en virtuoos laatste deel. Het gloedvolle, donkere middelste kwartet in Es is het ware middendeel van dit ‘driedelige opus’. Met de lyrische langzame inleiding, gevolgd door een stormachtig Allegro in Es mineur opent het een deur naar de romantiek. Het laatste deel met de duivelse variaties is technisch gesproken het hart van het driedelige opus dat wordt afgesloten met het bijna symfonische kwartet in D, de toonsoort van de grote orkestwerken met trompetten en pauken. Het middendeel in de toonsoort Fis mineur doet sterk denken aan het langzame deel van Mozart’s pianoconcert in A, K.488, door Malcolm Bilson ooit treffend gekarakteriseerd als “too intimate to perform in public’. Het is mogelijk dat Beethoven dit pianoconcert, gecomponeerd in voorjaar 1786, kende en daar diepgaand door was beinvloed. Maar ook Haydn en Carl Phillipp Emanuel Bach schreven hun meest poignante werken in de toonsoort Fis Mineur. Toen de kwartetten na Beethoven’s dood door Artaria in Wenen werden gepubliceerd verschenen ze om onbekende reden in de onlogische volgorde Es, D en C, een nummering die helaas vandaag nog in gebruik is.

Beethoven was al op jonge leeftijd een fenomenale pianist die de grenzen van de pianotechniek opzocht en vervolgens verlegde. Beethovens techniek is ongehoord voor zijn tijd, onder andere wat betreft vingerzettingen, pedaalgebruik, linkerhand techniek, en pure virtuositeit. Beethoven was al een goede altviolist voordat hij in 1789 altist werd in het Bonner hoforkest. Het verklaart hoe het jonge genie er in slaagde om de strijkers – met name de opvallende altviool partijen – zo trefzeker en idiomatisch op te schrijven.

De pianokwartetten zijn dan ook meer dan drie uitstekende composities van een supertalent: het opus is Beethovens visitekaartje, een staalkaart van muzikale vormen, karakters, pianistische technieken, nieuwe manieren om strijkers te combineren en dat alles met een ongehoord veelkleurige expressiviteit.

De Van Swieten Society met Peter Arts na de cd opname in Schiedam.

De Van Swieten Society met Peter Arts na de cd opname in Schiedam.